Het ontstaan en de ontwikkeling van de vrijmetselarij

Het vaste ontmoetingspunt van vrijmetselaren is in de loge. De naam van de loge stamt  uit de tijd van de vroege middeleeuwen, toen de bouwlieden, veelal tezamen met architect of bouwmeester, van plaats naar plaats trokken om aanvankelijk in opdracht van de gees-telijkheid zich te belasten met het bouwen van kerken, kathedralen, abdijen of kloosters.  De bouwkeet of hut, waarin zij tijdens de bouw gezamenlijk verbleven, heette de “lodge” ofwel de Loge.

De beslotenheid van de bouwcorporaties blijkt uit allerlei gedragsregels die dienen om het ambacht tegen beunhazerij te beschermen. Omdat men van de ene bouwplaats naar de andere trok, waren tekens, handgrepen en wachtwoorden onmisbaar.

Tot de taak van de bouwlieden behoorde het bewerken van ruw gesteente tot bruikbare bouwstenen. Naar verluid kregen sommige steenhouwers (geen metselaar) al spoedig de naam van freemason (Engeland) franc maçon (Frankrijk) of vrijmetselaar, een woord dat strikt genomen dus niet juist is. De symboliek van de vrijmetselaar is die van de steen-houwer en niet die van de metselaar.

Later toen de steden ontstonden werden de bouwopdrachten in steeds sterkere mate ontvangen van wereldlijke autoriteiten zoals de vorsten en de stadsbestuurders. Hierdoor veranderde ook het karakter van de loges. De reizende bouwlieden werden geleidelijk aan steeds meer geïncorporeerd in plaatselijke gilden. Daarbij kwam dat, onder invloed van de godsdienstoorlogen die de kerkbouw verstoorden, de loges op het Europese continent steeds meer in verval raakten.

In Engeland en Schotland echter bleven zij in stand, mede omdat ook niet bouwlieden  met belangstelling voor geestelijke zaken werden opgenomen.  Sommige loges konden zich daardoor ontwikkelen tot middelpunten van geestelijk leven. Men zegt ook wel dat in de Loges het operatieve karakter plaats maakte voor een meer beschouwelijke of speculatieve instelling van de leden.